In deze paastijd werd Antwerpen voor 2 dagen aangedaan. Na een treinreis (met dat voertuig zou je er al zijn) werd het vernieuwde Centraal Station bezocht. De brandgassen van de vorige dag waren reeds vervlogen. De Meir (een ware aorta naar de oude stad) werd afgewandeld en enkele musea bezocht. Het diamantmuseum kwam als eerste aan de beurt, gevolgd door het Rubenshuis, het Mayer van den Bergh en het Etnografische Museum. Dat het de laatste woensdag van de maand was, was een meevaller. In zeer korte tijd werd een kolossaal arsenaal aan bewonderenswaardige zaken bekeken. Door de grote verfijning van vele oude kunstvoorwerpen werd de hedendaagse tijd afgedaan als onwaardig, inhoudsloos en onkundig. Voeten deden pijn van het wandelen alsook de geheugencapaciteit van de hersenen. Voldaan kon de terugreis aangevat worden. Weer thuis gekomen werd de post ingewisseld tegen wat poëzie. Het Snuisterboekje van de Lijn vroeg weer om een gedicht.
Dit Gedicht
Ik snuister graag in verloren hoekjes zoals nu, gezocht en vindend in deze dunne boekjes van lijntje eeuwigheid: troostrijk gezin op vier wielen gedreven traagheid.
Warm omslagen lig ik tussen broers en zussen, dagen van regen en wind maken me drager van jou, innerlijk gezwind en lezend kind.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten