27 maart 2008

Apen

In deze paastijd werd Antwerpen voor 2 dagen aangedaan. Na een treinreis (met dat voertuig zou je er al zijn) werd het vernieuwde Centraal Station bezocht. De brandgassen van de vorige dag waren reeds vervlogen. De Meir (een ware aorta naar de oude stad) werd afgewandeld en enkele musea bezocht. Het diamantmuseum kwam als eerste aan de beurt, gevolgd door het Rubenshuis, het Mayer van den Bergh en het Etnografische Museum. Dat het de laatste woensdag van de maand was, was een meevaller. In zeer korte tijd werd een kolossaal arsenaal aan bewonderenswaardige zaken bekeken. Door de grote verfijning van vele oude kunstvoorwerpen werd de hedendaagse tijd afgedaan als onwaardig, inhoudsloos en onkundig. Voeten deden pijn van het wandelen alsook de geheugencapaciteit van de hersenen. Voldaan kon de terugreis aangevat worden. Weer thuis gekomen werd de post ingewisseld tegen wat po√ęzie. Het Snuisterboekje van de Lijn vroeg weer om een gedicht.

Dit Gedicht

Ik snuister graag in verloren hoekjes
zoals nu, gezocht en vindend
in deze dunne boekjes
van lijntje eeuwigheid:
troostrijk gezin op vier
wielen gedreven traagheid.

Warm omslagen
lig ik tussen broers
en zussen, dagen
van regen en wind
maken me drager van
jou, innerlijk gezwind
en lezend kind.

Geen opmerkingen: